Samenvatting

Steeds vaker krijgen dove en slechthorende kinderen logopedie in de eerste lijn. Voordat de logopedische behandeling gestart kan worden, is het van belang de spraak, taal- en communicatieve ontwikkeling goed in kaart te brengen middels (logopedische) diagnostiek. Maar hoe hou je bij die diagnostiek nou op een juiste manier rekening met de gehoorbeperking? En hoe interpreteer je dan die resultaten? In dit artikel wordt aan de hand van specifieke casussen toegelicht hoe het logopedisch onderzoek kan worden afgenomen en geïnterpreteerd.

Waar in dit artikel gesproken wordt over dove kinderen, worden, tenzij anders vermeld, zowel dove als slechthorende kinderen bedoeld. Dit artikel richt zich met name op die kinderen die voornamelijk in een gesproken taalomgeving verkeren.


570 Weergaven
11 Downloads
Log in
In de westerse wereld heeft naar schatting ongeveer 0,1% van de  kinderen een aangeboren of vroeg verworven gehoorverlies. In  Nederland heeft 1,1 op de 1000 pasgeboren kinderen een dubbelzijdig  gehoorverlies van minimaal 40 dB (Van der Aa, Van der Pal, Rijpstra  en Verkerk, 2015). Kinderen met een gehoorbeperking kunnen nu,  veel meer dan in het verleden, profiteren van verbeterde technologie  rondom hoortoestellen en Cochleaire Implantaten (CI). 

De toegenomen hoormogelijkheden  geven deze kinderen over het algemeen  een betere toegang tot de gesproken  taal, waardoor hun spraak- en (gesproken)  taalontwikkeling vloeiender verloopt  dan die van vorige generaties dove kinderen  (Svirsky et al., 2000, Niparco et al.,  2010). Daarbij worden echter grote individuele  verschillen gezien tussen dove kinderen,  waarvan wij de oorzaken nog maar  deels begrijpen (Knoors, 2016 in Marshark  & Spencer, 2016). Om in de logopedische  behandeling goed te kunnen aansluiten  bij de mogelijkheden van het dove kind, is  naast kennis van wat doofheid inhoudt en  welke gevolgen het heeft­ , een goede diagnostiek  van groot belang.

Gevolgen doofheid

Doofheid heeft­ grote gevolgen voor de  taalverwerving en voor de communicatie van het kind met zijn omgeving. Met  name het incidentele of terloopse leren  van taal wordt gehinderd door de doofheid.  Problemen met de kwaliteit van het  taalaanbod en/of de beperkte toegang  tot de aangeboden taal in de eerste twee  levensjaren, zowel in gebarentaal als  gesproken taal, leiden bij veel dove

Literatuurlijst

  1. AuBuchon, A. M., Pisoni, D. B., & Kronenberger, W. G. (2015).  Verbal processing speed and executive functioning in longterm  cochlear implant users. Journal of Speech, Language, and Hearing  Research, 58, 151–162.
  2. Boons, T., Brokx, J. P., Dhooge, I., et al. (2012). Predictors of spoken  language development following pediatric cochlear implantation.  Ear & Hearing,33, 617–639.
  3. Boons, T., Korthout, M., Luca, S., Schouten, E., Verlaar, M., Zaalen,  Y. van (2011). Aangepaste CELF4NL:  geschikt om taalen  communicatiestoornissen te meten bij kinderen met een cochleair  implantaat? Logopedie en foniatrie, 83 (3), pp 9295
  4. Burger, E.A., & Hoefnagel, M. (2005). Taalontwikkeling bij slechthorendheid.  Handboek Stem,  Spraak,  Taalpathologie. Houten:  Bohn Stafl eu van Loghum.
  5. Calderon, R., & Greenberg, M. T. (2003). Social and emotional development  of deaf children: Family, school, and program effects.  In M. Marschark & P. E. Spencer (Eds.), Oxford handbook of deaf  studies, language, and education (pp. 177–189). Oxford, England:  Oxford University Press.
  6. Castellanos, I., Pisoni, D. B., Kronenberger, W. G., & Beer, J. (2015).  Neurocognitive function in deaf children with cochlear implants:  Early development and longterm  outcomes. In M. Marschark, &  P. Spencer (Eds.), The Oxford Handbook of Deaf Studies in Language  (pp. 264–275). New York: Oxford University Press.
  7. Cawhton (2011); Making decisions about assessment practices for  students who are deaf or hard of hearing. Remedial and Special  Education, originally published december 2009.
  8. Cawthon & Leppo (2013). Assessment accommodations on tests  of academic achievement for students who are deaf or hard of  hearing. American Annals of the Deaf, volume 158, number 3.
  9. Cormier, K., Schembri, A., Vinson, D., & Orfanidou, E. (2012). First  language acquisition differs from second language acquisition in  prelingually deaf signers: Evidence from sensitivity to grammaticality  judgement in British Sign Language. Cognition, 124, 50–65.
  10. Kentalis (2017). AJONG, Als je oren niet goed horen. SintMichielsgestel:  Kentalis
  11. Knoors, H. & Marschark, M. (2014). Mijn leerling hoort slecht.  Leuven/Den Haag: Acco.
  12. LeFevre, J., Fast, L., Skwarchuk, S., SmithChant,  B. L., Bisanz,  J., Kamawar, D., et al. (2010). Pathways to mathematics: Longitudinal  predictors of performance. Child Development, 81, 1753–  1767.
  13. Marshark, M. & Spencer, P.E. (2016). The Oxford Handbook of  Deaf studies in Language. New York: Oxford University press.
  14. Niparko, J. K., Tobey, E. A., Thal, D. J., Eisenberg, L. S., Wang, N.Y.,  Quittner, A. L., & Fink, N. E. (2010). Spoken language development  in children following cochlear implantation. The Journal of  the American Medical Association, 303, 1498–1506. doi:10.1001/  jama.2010.451
  15. Nulft, M. van den & Verhallen, M. (2009). Met woorden in de  weer. Bussum: Coutinho.
  16. Perfetti, A. A., & Sandak, R. (2000). Reading optimally builds on  spoken language: Implications for deaf readers. Journal of Deaf  Studies and Deaf Education, 5, 32–50.
  17. Rouger, J., Lagleyre, S., Fraysse, B., Deneve, S., Deguine, O. & Barone,  P. (2007). Evidence that cochlearimplanted  deaf patients  are better multisensory integrators. Proceedings of the National  Academy of Sciences of the United States of America, 104 (17),  7295–7300.
  18. Sparreboom, M. (2013). Cochleaire implantatie bij kinderen, achtergronden  en mogelijkheden. Logopedie, 85, 814.  Svirsky, M.,  Robbins, A.,
  19. IlerKirk,  K., Pisoni, D, & Miyarnoto,R. (2000). Language  development in profoundly deaf children with cochlear  implants. Psychological Science, 11. Pp. 153158.